
Je weet precies wat helpt. Waarom doe je het dan niet?
Het derde weekend na het overlijden van Gotham keek ik mijn huis rond en dacht alleen maar: “Godverdomme… hoe heb ik het weer zover laten komen?”
Overal lagen stapels. Kleding die nog gestreken en gevouwen moest worden. De vloer vol stof, haren en kleine frutsels. Een afwas van bijna een week oud die zich langzaam begon op te stapelen.
En het ergste?
Ik had er niet eens meer de puf voor om me er écht druk om te maken. Dat vond ik misschien nog wel confronterender dan de troep zelf. Want ergens voelde ik natuurlijk wél de stress oplopen. De overprikkeling. De chaos in mijn hoofd.
Maar tegelijkertijd voelde alles in mij: “Nee. Morgen. Straks. Later.”
Dus deed ik… niets. Ik doomscrollde. Staarde voor me uit. Liet de dagen langzaam in elkaar overlopen.
En dit is waar het schuurt.
Want ik wist dit allemaal. Ik wéét hoe een zenuwstelsel werkt. Ik weet wat stilstand met mensen doet. Ik weet hoe belangrijk kleine bewegingen zijn wanneer je vastloopt. Dit is letterlijk mijn vak.
En toch trapte ik er zelf weer in.
Dat deed pijn om toe te geven. Niet alleen het verdriet om Gotham. Maar ook de frustratie dat ik mezelf langzaam weer zag verdwijnen terwijl een ander deel van mij allang doorhad wat er gebeurde.
En nee, dit was geen gebrek aan discipline.
Ik stond gewoon op. Ging naar mijn werk. Deed wat er gedaan moest worden. Maar zodra ik thuiskwam — op de plek waar de afwezigheid van Gotham overal voelbaar was — klapte mijn systeem dicht.
En ik denk dat veel mensen zichzelf daar verkeerd beoordelen. Alsof alles een kwestie van discipline, motivatie of wilskracht is.
Maar een zenuwstelsel in overleving geeft geen reet om wat jij rationeel begrijpt.
Dat systeem vraagt maar één ding: “Wat kost me nu het minste energie?”
En dus koos mijn systeem steeds opnieuw voor: blijven liggen. Niets doen. Scrollen. Verdoven. Uitstellen.
Niet omdat dat me hielp. Maar omdat beginnen op dat moment zwaarder voelde dan blijven hangen. Ondertussen voelde ik me steeds slechter.
Want hoe langer ik bleef stilstaan, hoe voller alles begon te voelen. En eerlijk? Mezelf de vinketering in schelden hielp geen reet. Maar erin blijven hangen ook niet.
Dat is precies het stuk waar weinig mensen eerlijk over praten.
We schieten vaak naar één van twee kanten:
óf jezelf volledig kapot pushen,
óf jezelf volledig laten verdwijnen onder het mom van “rust nemen”.
Maar ergens daartussen zit een veel eerlijker midden. Een plek waarop je erkent: “Ja, mijn systeem zit momenteel tegen zijn grens aan.”
En tegelijkertijd: “Maar als ik hier volledig in blijf hangen, ga ik mezelf hier ook niet uit terugvinden.”
Dat besef veranderde iets.
Niet ineens alles. Maar genoeg. Genoeg om ergens dat weekend met mezelf te gaan onderhandelen. Niet: “Kom op Irene, fix je leven.”
Gewoon: “Doe een klein stukje van de afwas.”

Meer niet. En eerlijk? Zelfs dát voelde eerst irritant groot. Maar ergens onderweg gebeurde iets interessants. Dat kleine stukje werd uiteindelijk de hele afwas. En ineens voelde ik het. Rust.
Niet opgelost.
Niet genezen.
Maar rust.
En dat was het moment waarop ik iets belangrijks begon te begrijpen: Ik hoefde mezelf niet terug het leven in te forceren.
Ik moest mezelf alleen weer voorzichtig in beweging helpen. Vanaf dat moment werd het bijna een soort spelletje: Hoe maak ik vandaag één klein scheurtje in het grauwe wolkendek boven mijn hoofd?
Niet méér. Gewoon: een beetje rek op de bandbreedte zetten.
Zonder mezelf te breken. Maar ook zonder volledig stil te blijven staan. Dus begon ik kleiner te denken.
Een stukje strijken. Dan stoppen voor een serie. Later nog een klein stukje. Niet alles in één dag willen fixen. Maar mezelf de tijd geven om langzaam weer ruimte op te bouwen.
En misschien ben ik daar nog wel het meest trots op.
Niet dat ik terugviel. Maar dat ik er deze keer geen maanden in bleef hangen. Vroeger had ik mezelf hier volledig in kunnen verliezen. Dan was die stilstand langzaam mijn nieuwe normaal geworden.
Nu voelde ik sneller: dit werkt niet meer.
En juist dat verschil is groei. Jezelf sneller terugvinden wanneer je wél terugvalt. Want motivatie kwam niet eerst. Beweging kwam eerst. En daarna ontstonden langzaam weer kleine scheurtjes in het wolkendek.
Een opgeruimd aanrecht.
Schone kleding.
Een kop thee.
Een moment waarop ik ineens weer iets van mezelf terugvoelde.
Kleine dingen.
Maar genoeg om langzaam weer wat licht binnen te laten.
Dus misschien is dat ook wat jij jezelf eens eerlijk mag afvragen: Ben je momenteel echt aan het herstellen?
Of wacht je stiekem tot je je beter voelt vóór je jezelf weer toestemming geeft om te bewegen?
Want dit is wat overleving zo verraderlijk maakt: je kunt exact weten wat goed voor je is… en het toch niet doen.
Niet omdat je zwak bent. Maar omdat een systeem in overleving eerst zoekt naar zo min mogelijk inspanning, niet naar zoveel mogelijk leven.
Dit is waar het schuurt.
💛 Je Geluks Cheerleader Irene









